Hoe duur is Argentinië nu echt? Inflatie, wisselkoersen en eerste indrukken
Jarenlang hoorde ik hetzelfde zinnetje: “Argentinië? Spotgoedkoop joh, gewoon cash dollars meenemen en alles kost een habbekrats.” In 2025–2026 is dat… nét even anders.
Officieel gaat het beter met de inflatie. Grote namen als IMF en OECD melden dalende cijfers, maar in de supermarkt voelt niemand zich ineens rijk. Een pak kaas, wat groenten en een fles wijn tikt nog steeds stevig aan. En in een restaurant een steak met wijn bestellen is niet meer dat rare “hoe kan dit zó goedkoop zijn?”-gevoel van een paar jaar terug, maar eerder: “oké, dit is nog betaalbaar, maar geen dumpprijs”.
Een belangrijke verandering: het gat tussen de officiële peso-koers en de beroemde “blue dollar” is kleiner geworden. Simpel uitgelegd: de blue dollar is de informele koers die je krijgt als je contante dollars of euro’s wisselt buiten het banksysteem om. Geen ingewikkelde financiële theorie, gewoon: andere koers, vaak gunstiger dan wat je bank je geeft. In 2022–2023 kon dat verschil bizar groot zijn, nu is het minder extreem. Het foefje “ik neem een stapel dollars mee en alles is ineens gratis” is dus afgezwakt.
Bij mijn laatste bezoek merkte ik het direct. In Buenos Aires betaalde ik ongeveer 3,50–4 euro voor een cappuccino in een hip café in Palermo. Dat is gewoon Europees. Een taxi van Aeroparque naar het centrum? Zo’n 12–15 euro. Ook niet meer het niveau “grapje toch?”. Tegelijk at ik in een busstation-restaurant een bord milanesa met puree voor nog geen 4 euro en kocht ik empanada’s in Salta voor 40–60 cent per stuk. Bussen tussen steden voelden nog steeds belachelijk goedkoop vergeleken met binnenlandse vluchten in Europa.
Het gekke is: prijzen bewegen sneller dan je blog kan typen. Wat ik nu schrijf, is gebaseerd op recente trips, bonnetjes die nog op mijn bureau slingeren, en de laatste rapporten – niet op economieboeken. Zie het als een momentopname, geen wet van Meden en Perzen.
Ik ga het daarom uit elkaar trekken per dagbudget: eten, vervoer, slapen, tours. Gericht op reizigers die graag veel zien, maar geen zin hebben in dure verrassingen, verborgen bankkosten of dat nare gevoel dat je onnodig geld hebt laten weglekken.
Onderweg duik ik ook in het praktische geldgedoe: pinnen, cash, wisselen, en hoe je voorkomt dat je bank méér aan jouw reis verdient dan jij. En voor wie zijn euro’s ook op andere plekken slim wil inzetten: denk aan artikelen als over snorkelen op de Canarische Eilanden en de beste reistijd voor je portemonnee, of onze budgetkeuzes in Japan. Maar eerst: wat kost een dag in Argentinië nou ongeveer?
Of anders gezegd: wat leg je neer voor een dag Buenos Aires of Patagonië, als je niet van nare vrerassingen houdt?
Dagbudget in Argentinië in 2025–2026: eten, vervoer, slapen en tours
Laat ik meteen met bedragen gooien. Allemaal afgerond in euro’s, op basis van wat ik zelf betaalde en wat andere reizigers de afgelopen maanden met mij deelden.
Backpacker-stijl eerst. In Buenos Aires sliep ik in een eenvoudig hostel in San Telmo. Voor een bed in een slaapzaal betaalde ik rond de 14–18 euro per nacht, inclusief basic ontbijt (toast, jam, koffie die wakker maakt maar geen wedstrijd wint). In Salta vond ik een rustiger hostel, bed in een dorm voor ongeveer 12 euro. In kleinere steden zakte dat soms nog naar 10 euro. Met zelf koken en streetfood kom je dan op een dagbudget van grofweg 35–45 euro uit, inclusief metro, bus en af en toe een biertje.
De “ik wil privacy, maar geen chique hotel”-reiziger zit anders. In Buenos Aires lag ik rond de 45–60 euro per nacht voor een eenvoudige maar schone kamer met eigen badkamer. In Córdoba had ik een nette kamer voor ongeveer 38 euro. Vaak zat er ontbijt bij, maar als ik in een café ging zitten met koffie en twee medialunas was ik meestal rond de 3–4 euro kwijt. Een eenvoudige lunch – milanesa met friet of drie grote empanada’s – kostte meestal 4–7 euro. Een avondmaaltijd in een normale parilla in Buenos Aires: voor een grote steak, salade om te delen, friet en een glas Malbec was ik rond de 18–22 euro kwijt. In Córdoba at ik een vegetarische bowl met drank voor ongeveer 11 euro.
En dan de reiziger die af en toe los wil gaan. In Patagonië boekte ik één nacht in een kleine lodge bij El Calafate, uitzicht op niks anders dan leegte en lucht. Die grap kostte ongeveer 110 euro per nacht. Dat was inclusief uitgebreid ontbijt en het gevoel dat ik ineens in een glossy brochure was beland. De rest van de reis sliep ik dan weer in simpelere hotels van 50–70 euro, zodat het totaal een beetje in balans bleef.
Qua vervoer is Buenos Aires nog steeds mild voor je portemonnee, maar duurder dan vroeger. Een metro-rit kostte me omgerekend nog geen 0,50 euro, een bus binnen de stad vergelijkbaar. Taxi of app-dienst: ritjes van 10–20 minuten zaten vaak tussen de 3 en 6 euro. In drukke uren wat meer, maar het voelde zelden pijnlijk.
Langeafstandsbussen zijn nog altijd de klassieker. Voor een nachtbus Buenos Aires – Mendoza, semi-cama, betaalde ik ongeveer 55 euro. Met volledige ligstoel (cama) zat ik eerder rond de 70–80 euro. Binnenlandse vluchten zijn door de veranderde koers soms weer competitief, zeker als je op tijd boekt. Een enkele vlucht Buenos Aires – Bariloche vond ik voor rond de 90 euro. Het verschil: bij bussen betaal je vaak gewoon aan de balie of online in pesos, terwijl vluchten eerder via internationale sites gaan en dus meer last hebben van onhandige wisselkoersen.
Dan de tours. Een volledige dagtour naar de Argentijnse kant van de Iguazú-watervallen, inclusief transport vanuit Puerto Iguazú, kostte mij ongeveer 55–65 euro per persoon (excl. entree). Een begeleide daghike in El Chaltén – transfer, gids, lunchpakket – zat rond de 60–80 euro. In Mendoza deed ik een kleinschalige wijnproeverij met vier bodega’s voor ongeveer 70 euro, inclusief proeverijen en lichte lunch.
Het verschil tussen hotspots en “random dorpjes” is groot. Ik at onderweg in een klein dorp in de provincie La Rioja een gigantisch bord pasta, brood en een frisdrank voor nog geen 3,50 euro. In Buenos Aires had dat makkelijk het dubbele gekost, met minder uitzicht op stoffige pick-ups en mannen die mate delen op de stoep.
Eigenlijk draait het continu om dezelfde vraag: waar krijg je het meeste voor je geld? Dat is hetzelfde spelletje als bij de beste reistijd om te snorkelen op de Canarische Eilanden voor je portemonnee; je schuift met locatie en timing tot de prijs-kwaliteit interessant voelt.
Argentinië heeft in elk geval nog steeds één troostrijke eigenschap: je betaalt geen Noorwegen-prijzen. Maar het is ook niet meer dat ultra-dumpingbudget van virale TikToks waar alles “maar 2 euro” was.
Betalen, pinnen en wisselen: zo voorkom je dat de bank meer verdient dan jij
Mijn grootste domme fout in Argentinië was niet een verkeerde bus nemen, maar gewoon gedachteloos pinnen. Ik kwam aan in Buenos Aires, moe, hongerig, zag de eerste ATM, ramde op “ja” tot er pesos uit kwamen. Later thuis zag ik: forse opslag op de wisselkoers, extra fee van de lokale bank, en mijn eigen bank deed ook vrolijk mee. Mooie herinneringen, dure pesos.
In 2025–2026 heb je grofweg drie manieren om te betalen: pinnen bij ATM’s, betalen met kaart in winkels en restaurants, en contant geld meenemen (dollars of euro’s) om lokaal te wisselen. De blue dollar – die informele wisselkoers – bestaat nog steeds, maar het gat met de officiële koers is kleiner. Je hoeft dus niet meer met schoenendozen vol dollars te lopen, maar bij grote uitgaven (meerdere hotelnachten, dure tours) kan cash wisselen nog steeds schelen.
Wat werkte voor mij:
- Zoek ATM’s van grotere, bekende banken; die hadden meestal lagere vaste kosten dan de random automaat in een supermarkt.
- Pin liever één keer 150–200 euro dan tien keer 20 euro, omdat er vaak een vaste fee per opname is.
- Check voor vertrek welke kaart in Nederland of België de beste wisselkoers en laagste toeslagen heeft. Soms loont het echt om een tweede kaart mee te nemen.
Bij betalen met kaart krijg je vaak de vraag op het scherm: wil je in euro’s of in pesos betalen? Dat is dynamic currency conversion. Klinkt behulpzaam, is het zelden. De winkel of betaalprovider rekent dan zijn eigen euro-koers uit, vaak veel slechter dan die van je bank. Ik kies dus bijna altijd voor pesos. Mijn bank rekent het dan zelf om, meestal met een betere koers.
Cash wisselen doe ik het liefst bij officiële wisselkantoren of betrouwbare casas de cambio. Geen duistere straatdeals met iemand die “heel goed wisselt, amigo”. Als de koers te mooi lijkt om waar te zijn, is dat meestal zo. Ik hield parallel een wisselkoers-app bij en keek: zit deze koers in de buurt, of is dit sprookjesland?
Omdat prijzen zo heen en weer stuiteren, hou ik mijn uitgaven per dag bij. Dit keer deed ik dat in Trip Planner van HikersBay, waar ik gewoon per dag een schatting van pesos en euro’s in tikte en later kon zien: oké, dinsdag Iguazú was duur, woensdag Cordoba was chill goedkoop. Geen rocket science, maar wel het verschil tussen “het zal wel” en “oei, ik ga iets te hard”.
Dat spel met wisselkoersen en locatiekeuze speelt trouwens overal. In Japan bijvoorbeeld kan één andere wijk ineens tientallen euro’s per nacht schelen; daarover schreef ik eerder in de eerlijke wijk- en budgetgids voor Hakone. In Argentinië is het minder strak georganiseerd, maar het principe is hetzelfde.
Uiteindelijk geldt: banken willen altijd een hap. Je hoeft ze alleen niet het hele bord te geven.
Slim plannen zonder gierigaard te worden: routes, seizoenen en kleine keuzes
De meeste mensen denken dat hun budget klapt op die ene dure glacier-trekking of helikoptervlucht. In Argentinië zijn het vaak de kleine keuzes die je nekken. Elke taxi in plaats van bus. Elke cocktailbar in Palermo Soho in plaats van een biertje in het park. Elke “ach, we pakken nog een binnenlandse vlucht erbij, scheelt tijd”.
Bij mijn laatste reis heb ik het bewust anders gedaan. In plaats van in drie weken Buenos Aires, Iguazú, Noord-Argentinië én Patagonië te proppen, koos ik voor een compactere route: Buenos Aires, Mendoza, een stuk noordwest, klaar. Minder binnenlandse vluchten, meer bussen, en daardoor genoeg geld over voor één dure glacier-activiteit in Patagonië tijdens een aparte, kortere trip. Die ene tocht voelde daardoor niet als financieel roekeloze beslissing, maar als bewuste “dit is waar ik mijn geld in wil steken”.
Seizoenen maken ook verschil. Patagonië in hoogseizoen (december–februari) betekent duurdere hotels, drukke bussen en sneller uitverkochte tours. In oktober/november en maart is het rustiger, vaak nog prima weer en merkbaar betere prijzen. Heel vergelijkbaar met hoe je naar Mediterrane bestemmingen kijkt: wie midden in augustus naar een druk strand vliegt, betaalt nou eenmaal meer. In het artikel over Mallorca met kinderen in 2026 gaat het ook precies daarover: timing en regio bepalen hoeveel je voor je vakantie krijgt, zeker met gezin.
Een paar kleine keuzes die mijn budget in Argentinië echt scheelden:
In Buenos Aires nam ik een appartement met keuken voor een week. ’s Ochtends zelf koffie en brood, een paar keer pasta koken of salade maken, en dan één of twee keer per week uitgebreid uit eten. Daardoor voelde een steakdiner van 25 euro niet als “oei”, maar als beloning.
In steden liep ik veel en nam de metro of bus. Taxi’s bewaarde ik voor late avonden of regen. In Patagonië boekte ik bussen en hostels net iets eerder dan normaal, omdat last-minute kamers in populaire plekken als El Calafate echt pijn kunnen doen in je budget.
Route en kosten hield ik ruw bij in een simpele dag-tot-dag planning, weer in Trip Planner. Niet met een militair strak schema, maar gewoon: vandaag bus, morgen tour, ongeveer zóveel euro. Alleen al het zien van een totaalbedrag per week maakte dat ik halverwege niet ineens geschokt naar mijn bank-app zat te staren.
Als je het allemaal zo bekijkt, is Argentinië in 2025–2026 geen geheime budgethack meer waar alleen ingewijden van weten. De tijden van “alles is belachelijk goedkoop” zijn voorbij. Maar het blijft wél een land waar je, met een beetje nadenken over route, seizoen en dagelijkse keuzes, nog steeds absurd veel reiservaring terugkrijgt voor elke euro die je uitgeeft.
